B2 · Adjectives & articles
Speed and pace
snel, gestaag, onstuimig, geleidelijk: het tempo van werk en verkeer.
- Het verkeer op de ringweg is in de spits vaak ___ . (traag)
- De omslag naar digitaal werken ging ___ . (snel)
- De groep werkte in een ___ tempo aan de herinrichting van de zaal. (gestaag)
- Wij willen het tempo van de besprekingen ___ houden. (laag)
- De reactie van het publiek was ___ ; de hele zaal klapte in een seconde. (enthousiast)
- De bewoners klagen over het ___ verkeer op de doorgaande weg. (langzaam)
- Het is van belang dat de wachttijd niet te ___ wordt. (lang)
- De werkgroep heeft het project ___ afgerond. (succesvol)
- Zij spreekt ___ , maar heel duidelijk. (vlot)
- De prijzen van huurwoningen stijgen ___ ; de regering overweegt ingrijpen. (matig)
- De overgang naar nieuwe normen verloopt ___ . (geleidelijk)
- Wij zoeken iemand die snel en ___ met cijfers kan werken. (nauwkeurig)