Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Speed and pace

snel, gestaag, onstuimig, geleidelijk: het tempo van werk en verkeer.

  1. Het verkeer op de ringweg is in de spits vaak ___ . (traag)
  2. De omslag naar digitaal werken ging ___ . (snel)
  3. De groep werkte in een ___ tempo aan de herinrichting van de zaal. (gestaag)
  4. Wij willen het tempo van de besprekingen ___ houden. (laag)
  5. De reactie van het publiek was ___ ; de hele zaal klapte in een seconde. (enthousiast)
  6. De bewoners klagen over het ___ verkeer op de doorgaande weg. (langzaam)
  7. Het is van belang dat de wachttijd niet te ___ wordt. (lang)
  8. De werkgroep heeft het project ___ afgerond. (succesvol)
  9. Zij spreekt ___ , maar heel duidelijk. (vlot)
  10. De prijzen van huurwoningen stijgen ___ ; de regering overweegt ingrijpen. (matig)
  11. De overgang naar nieuwe normen verloopt ___ . (geleidelijk)
  12. Wij zoeken iemand die snel en ___ met cijfers kan werken. (nauwkeurig)