Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Politeness and courtesy

beleefd, hoffelijk, neerbuigend, onbeleefd: omgangsvormen in het werk.

  1. De ontvangst was warm en ___ ; de gasten voelden zich welkom. (vriendelijk)
  2. Zij beantwoordde de vragen van de burgers ___ en geduldig. (hoffelijk)
  3. Een ___ e-mail begint met een korte begroeting. (beleefd)
  4. De klant vond het personeel ___ . (onvriendelijk)
  5. De voorzitter hield de toon ___ en nodigde iedereen uit. (gematigd)
  6. Wij moeten de ___ reactie van de directeur niet persoonlijk opvatten. (afstandelijk)
  7. Een ___ opmerking over andermans werk komt niet goed over. (onbeleefd)
  8. De medewerker was altijd ___ om nieuwe collega's te helpen. (hulpvaardig)
  9. In het omgaan met bewoners hanteert de gemeente een ___ toon. (gematigd)
  10. Zij bedankte de bewoners ___ voor hun medewerking. (hartelijk)
  11. Het is ongepast om zo ___ te reageren op een kritische vraag. (brutaal)
  12. De directie hecht waarde aan een ___ omgang met de klanten. (respectvol)