B2 · Adjectives & articles
Honesty and fairness
eerlijk, onpartijdig, ondeerlijk, integer: oordeel en integriteit.
- De getuige was ___ ; hij gaf toe dat hij had willen spijbelen. (eerlijk)
- De commissie moet ___ zijn in haar oordeel over de aanvragen. (onpartijdig)
- Zij omschreef de situatie ___ , zonder de problemen te verzwijgen. (oprecht)
- De verdeling van het budget moet ___ zijn over alle afdelingen. (rechtvaardig)
- De beoordeling moet ___ plaatsvinden, zonder vooringenomen keuzes. (onbevooroordeeld)
- Hij bleef ___ over de tarieven die wij hem boden. (zwijgend)
- Het verhaal van de getuige klonk ___ ; de details kloppen niet. (opgezet)
- De commissie moet bewijzen dat zij ___ te werk gaat. (integer)
- Hij verloor de procedure met een ___ argument: de termijn was verstreken. (zwak)
- Wij leggen de uitkomsten liever ___ aan de bewoners. (open)
- De ___ medewerker, al langer in dienst, weigert een fout te erkennen. (oprecht)
- Het is van belang dat de procedure ___ wordt gecontroleerd. (onafhankelijk)