Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Honesty and fairness

eerlijk, onpartijdig, ondeerlijk, integer: oordeel en integriteit.

  1. De getuige was ___ ; hij gaf toe dat hij had willen spijbelen. (eerlijk)
  2. De commissie moet ___ zijn in haar oordeel over de aanvragen. (onpartijdig)
  3. Zij omschreef de situatie ___ , zonder de problemen te verzwijgen. (oprecht)
  4. De verdeling van het budget moet ___ zijn over alle afdelingen. (rechtvaardig)
  5. De beoordeling moet ___ plaatsvinden, zonder vooringenomen keuzes. (onbevooroordeeld)
  6. Hij bleef ___ over de tarieven die wij hem boden. (zwijgend)
  7. Het verhaal van de getuige klonk ___ ; de details kloppen niet. (opgezet)
  8. De commissie moet bewijzen dat zij ___ te werk gaat. (integer)
  9. Hij verloor de procedure met een ___ argument: de termijn was verstreken. (zwak)
  10. Wij leggen de uitkomsten liever ___ aan de bewoners. (open)
  11. De ___ medewerker, al langer in dienst, weigert een fout te erkennen. (oprecht)
  12. Het is van belang dat de procedure ___ wordt gecontroleerd. (onafhankelijk)