B2 · Adjectives & articles
Habit and routine
dagelijks, wekelijks, sporadisch, onregelmatig: routines in werk en samenleving.
- De vergadering van de bewoners is ___ ; zij valt elke dinsdag in. (wekelijks)
- Het schoonmaken van de ruimte gebeurt ___ , ook in het weekend. (dagelijks)
- Wij krijgen ___ klachten over de levertijd. (sporadisch)
- Het overleg met de vakbond verloopt ___ ; elke maand is er een contactmoment. (maandelijks)
- De openingstijden van het zwembad zijn ___ , behalve op zondag. (onregelmatig)
- Wij zoeken een ___ taalopleiding met een vast schema. (gestructureerd)
- In de zomer is het ritme van de bewoners meestal ___ . (seizoensgebonden)
- De indeling van de diensten is ___ ; iedereen heeft vaste taken. (vast)
- De ochtendstart is een ___ onderdeel van de werkweek. (wezenlijk)
- De werkdruk wisselt sterk; sommige weken zijn ___ . (druk)
- Wij houden een ___ evaluatie van de wijkavond. (jaarlijks)
- De ___ afspraken over de ophaaltijden werken niet goed. (huidig)