Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Habit and routine

dagelijks, wekelijks, sporadisch, onregelmatig: routines in werk en samenleving.

  1. De vergadering van de bewoners is ___ ; zij valt elke dinsdag in. (wekelijks)
  2. Het schoonmaken van de ruimte gebeurt ___ , ook in het weekend. (dagelijks)
  3. Wij krijgen ___ klachten over de levertijd. (sporadisch)
  4. Het overleg met de vakbond verloopt ___ ; elke maand is er een contactmoment. (maandelijks)
  5. De openingstijden van het zwembad zijn ___ , behalve op zondag. (onregelmatig)
  6. Wij zoeken een ___ taalopleiding met een vast schema. (gestructureerd)
  7. In de zomer is het ritme van de bewoners meestal ___ . (seizoensgebonden)
  8. De indeling van de diensten is ___ ; iedereen heeft vaste taken. (vast)
  9. De ochtendstart is een ___ onderdeel van de werkweek. (wezenlijk)
  10. De werkdruk wisselt sterk; sommige weken zijn ___ . (druk)
  11. Wij houden een ___ evaluatie van de wijkavond. (jaarlijks)
  12. De ___ afspraken over de ophaaltijden werken niet goed. (huidig)