Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Responsibility and accountability

verantwoordelijk, aansprakelijk, schuldig, plichtig: wie is waarvoor verantwoordelijk.

  1. De projectleider is ___ voor de planning en de budgetten. (verantwoordelijk)
  2. Het bedrijf is ___ voor de schade die het heeft veroorzaakt. (aansprakelijk)
  3. In deze procedure is de afdeling ___ voor de juiste behandeling van de aanvragen. (eindverantwoordelijk)
  4. De deelnemers zijn ___ om de regels van de werkplaats te respecteren. (gehouden)
  5. De verdachte is ___ aan de brand, maar bewijs ontbreekt. (schuldig)
  6. De gemeente is ___ verantwoordelijk voor het onderhoud van de dijken. (medeverantwoordelijk)
  7. De omschrijving van het werk is ___ : wie doet wat, en tot wanneer. (eenduidig)
  8. De bestuurder werd aangewezen als de belangrijkste ___ voor de veranderingen. (verantwoordelijk)
  9. De bewoners willen weten wie ___ is voor hun klacht. (verantwoordelijk)
  10. Elk lid is eigenaar van een deel van de uitvoering; de werkgroep werkt dus ___ . (zelfstandig)
  11. De taak is alleen uitvoerbaar als de bevoegdheid ___ is afgebakend. (duidelijk)
  12. De vertegenwoordiger van de bewoners is het ___ orgaan in de wijk. (vertegenwoordigend)