B2 · Adjectives & articles
Responsibility and accountability
verantwoordelijk, aansprakelijk, schuldig, plichtig: wie is waarvoor verantwoordelijk.
- De projectleider is ___ voor de planning en de budgetten. (verantwoordelijk)
- Het bedrijf is ___ voor de schade die het heeft veroorzaakt. (aansprakelijk)
- In deze procedure is de afdeling ___ voor de juiste behandeling van de aanvragen. (eindverantwoordelijk)
- De deelnemers zijn ___ om de regels van de werkplaats te respecteren. (gehouden)
- De verdachte is ___ aan de brand, maar bewijs ontbreekt. (schuldig)
- De gemeente is ___ verantwoordelijk voor het onderhoud van de dijken. (medeverantwoordelijk)
- De omschrijving van het werk is ___ : wie doet wat, en tot wanneer. (eenduidig)
- De bestuurder werd aangewezen als de belangrijkste ___ voor de veranderingen. (verantwoordelijk)
- De bewoners willen weten wie ___ is voor hun klacht. (verantwoordelijk)
- Elk lid is eigenaar van een deel van de uitvoering; de werkgroep werkt dus ___ . (zelfstandig)
- De taak is alleen uitvoerbaar als de bevoegdheid ___ is afgebakend. (duidelijk)
- De vertegenwoordiger van de bewoners is het ___ orgaan in de wijk. (vertegenwoordigend)