B2 · Adjectives & articles
Value and price
betaalbaar, waardevol, goedkoop, duur: waarde en prijs in een formeel stuk.
- De woning is ___ ; 480.000 euro is veel voor een alleenstaande. (duur)
- De gemeente wil een ___ oplossing voor het probleem van de leegstand. (betaalbaar)
- Het aanbod is aantrekkelijk, maar de prijs is niet ___ . (redelijk)
- De dienstverlening van het loket is ___ voor de bewoners. (waardevol)
- De prijs is met tien procent ___ . (gestegen)
- Wij zoeken een woning die ___ is in verhouding tot de kwaliteit. (betaalbaar)
- Het huurhuis in deze straat staat ___ ; 480.000 euro is veel. (duur)
- Het gaat om een zakelijke keuze, niet om het ___ van de prijs. (belang)
- De korting geldt alleen voor klanten met een ___ abonnement. (goedkoop)
- Het beschikbare budget is ___ voor een project van deze omvang. (krap)
- Wij moeten de waarde van het pand ___ taxeren. (onafhankelijk)
- De ___ prijs van het elektriciteitstarief blijft een punt van discussie. (hoog)