Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Value and price

betaalbaar, waardevol, goedkoop, duur: waarde en prijs in een formeel stuk.

  1. De woning is ___ ; 480.000 euro is veel voor een alleenstaande. (duur)
  2. De gemeente wil een ___ oplossing voor het probleem van de leegstand. (betaalbaar)
  3. Het aanbod is aantrekkelijk, maar de prijs is niet ___ . (redelijk)
  4. De dienstverlening van het loket is ___ voor de bewoners. (waardevol)
  5. De prijs is met tien procent ___ . (gestegen)
  6. Wij zoeken een woning die ___ is in verhouding tot de kwaliteit. (betaalbaar)
  7. Het huurhuis in deze straat staat ___ ; 480.000 euro is veel. (duur)
  8. Het gaat om een zakelijke keuze, niet om het ___ van de prijs. (belang)
  9. De korting geldt alleen voor klanten met een ___ abonnement. (goedkoop)
  10. Het beschikbare budget is ___ voor een project van deze omvang. (krap)
  11. Wij moeten de waarde van het pand ___ taxeren. (onafhankelijk)
  12. De ___ prijs van het elektriciteitstarief blijft een punt van discussie. (hoog)