Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Difficulty and ease

moeilijk, eenvoudig, lastig, uitdagend: hoe zwaar een taak of aanvraag is.

  1. De aanvraag voor de vergunning is vrij ___ . (ingewikkeld)
  2. Wij zoeken een ___ oplossing die de burger zelf kan invullen. (eenvoudig)
  3. De instructie voor de nieuwe software is ___ ; de meeste beletters lopen vast. (onduidelijk)
  4. Het overleg met de bewoners bleek ___ . (lastig)
  5. De nieuwe medewerker heeft de taken ___ opgepakt. (gemakkelijk)
  6. Het is een ___ vraag om de juiste bestemming te vinden. (uitdagend)
  7. De wijk heeft de ___ taak om de bewoners mee te krijgen. (moeilijk)
  8. De redactie vindt de tekst nogal ___ . (cryptisch)
  9. Wij bieden een ___ route aan voor wie minder mobiel is. (eenvoudig)
  10. Zich oriënteren op de nieuwe regels bleek voor velen ___ . (verwarrend)
  11. De procedure moet zo ___ mogelijk blijven voor de burger. (eenvoudig)
  12. Het is een ___ kwestie van tijd, niet van geld. (eenvoudige)