Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Curiosity and interest

geïnteresseerd, nieuwsgierig, betrokken, onverschillig: interesse in werk en maatschappij.

  1. Zij is sterk ___ in de geschiedenis van de wijk. (geïnteresseerd)
  2. De kinderen waren ___ en stelden allemaal vragen. (nieuwsgierig)
  3. Wij willen de bewoners ___ houden bij de ontwikkelingen. (betrokken)
  4. Hij is niet ___ voor de administratieve kant van het werk. (geïnteresseerd)
  5. De ___ journalist vroeg door tot de oorsprong van het probleem. (nieuwsgierig)
  6. Het publiek reageerde ___ ; de thema-avond trok record veel kijkers. (geïnteresseerd)
  7. De deelnemers van de klankbordvergadering bleken ___ . (onverschillig)
  8. Wij zoeken een ___ partner die het onderwerp verder wil brengen. (betrokken)
  9. De ___ houding van de bewoners heeft het plan mogelijk gemaakt. (open)
  10. Er is in de wijk veel ___ voor duurzame energie. (belangstelling)
  11. De redacteur wil de ___ vragen van de lezers zeker beantwoorden. (oprecht)
  12. Hij luisterde ___ naar de argumenten van de tegenstander. (aandachtig)