Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Generosity and thrift

gul, mild, zuinig, bescheiden: geld, giften en uitgaven in de samenleving.

  1. De werkgever was ___ en betaalde de opleiding van de medewerkers. (gul)
  2. De bewoners kwamen met een ___ bijdrage voor het gemeenschapshok. (gul)
  3. Hij is heel ___ ; hij koopt zelden iets nieuws. (zuinig)
  4. De stichting ontving een ___ gift van een anonieme gever. (aanzienlijk)
  5. De uitgaven voor het onderhoud blijven ___ ; er is weinig reserve. (bescheiden)
  6. Wij waarderen het ___ van de vrijwilligers in de wijk. (inzet)
  7. De gemeente is ___ : zij helpt elk initiatief met een kleine bijdrage. (beleefd)
  8. De meeste bewoners houden de kosten van het zwembad laag door het ___ gedrag. (zuinig)
  9. De bijdrage van het bedrijf was een ___ steun in moeilijke tijd. (welgemeen)
  10. Wij willen een ___ prijs voor het lidmaatschap, niet de hoogste. (bescheiden)
  11. De boekhouding moet zichtbaar zijn, ook voor kleine ___ . (uitgaven)
  12. Hij is ___ met zijn middelen en deelt met anderen. (gul)