Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Handwriting and script

leesbaar, slordig, kronkelig, net: hoe iemand schrijft.

  1. Zijn handschrift is vrij ___ ; de letters lopen mooi door. (leesbaar)
  2. De aantekeningen van de oude ambtenaar waren heel ___ . (slordig)
  3. Wij vragen om een ___ versie van het contract, zonder correctielijnen. (net)
  4. Het ___ handschrift van de notaris is beroemd in de stad. (kronkelig)
  5. De brief is geschreven in een ___ taal, zonder halve zinnen. (heldere)
  6. Wij moeten het document ___ bijschrijven voordat het naar de klant gaat. (zorgvuldig)
  7. De brief was in een ___ handschrift geschreven, met veel correcties. (onleesbaar)
  8. De ___ versie van de notitie staat in de map. (definitief)
  9. Het is belangrijk dat het ___ van de leerling voor iedereen leesbaar is. (handschrift)
  10. De oude brief is in een ___ dialect geschreven. (verouderd)
  11. Wij willen het rapport in ___ taal herschrijven voor het breedste publiek. (begrijpelijk)
  12. Het is een ___ document; niemand kan de cijfers lezen. (onleesbaar)