B2 · Adjectives & articles
Atmosphere and mood
sfeervol, gespannen, ontspannen, kil: de sfeer in een ruimte of wijk.
- De sfeer in de gemeenschapshal is ___ ; iedereen praat met elkaar. (gezellig)
- Tijdens de behandeling van de begroting was de sfeer ___ . (gespannen)
- Na de lunch heerste er een ___ sfeer aan tafel. (rustig)
- De wijk heeft een ___ buurt met veel groen en water. (sfeervol)
- Het gebouw is functioneel, maar de sfeer is erg ___ . (koud)
- In de kantine heerst na de lunch een ___ gemoed. (ontspannen)
- De avond was stil en de sfeer werd ___ . (wezenlijk)
- Wij willen de zaal met planten en licht een ___ sfeer geven. (warme)
- Het ___ decor van het restaurant trok het publiek aan. (exotisch)
- De stemming aan tafel was gespannen; het gesprek bleef ___ . (formeel)
- De ___ sfeer van het zwembad trekt vooral jonge gezinnen aan. (vrolijke)
- Het is belangrijk dat de sfeer in het gebouw ___ blijft. (professioneel)