Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Atmosphere and mood

sfeervol, gespannen, ontspannen, kil: de sfeer in een ruimte of wijk.

  1. De sfeer in de gemeenschapshal is ___ ; iedereen praat met elkaar. (gezellig)
  2. Tijdens de behandeling van de begroting was de sfeer ___ . (gespannen)
  3. Na de lunch heerste er een ___ sfeer aan tafel. (rustig)
  4. De wijk heeft een ___ buurt met veel groen en water. (sfeervol)
  5. Het gebouw is functioneel, maar de sfeer is erg ___ . (koud)
  6. In de kantine heerst na de lunch een ___ gemoed. (ontspannen)
  7. De avond was stil en de sfeer werd ___ . (wezenlijk)
  8. Wij willen de zaal met planten en licht een ___ sfeer geven. (warme)
  9. Het ___ decor van het restaurant trok het publiek aan. (exotisch)
  10. De stemming aan tafel was gespannen; het gesprek bleef ___ . (formeel)
  11. De ___ sfeer van het zwembad trekt vooral jonge gezinnen aan. (vrolijke)
  12. Het is belangrijk dat de sfeer in het gebouw ___ blijft. (professioneel)