Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Attitude to work

gemotiveerd, lui, betrokken, plichtsgetrouw: houding tegenover het werk.

  1. De nieuwe medewerker is heel ___ en neemt graag nieuwe taken op. (gemotiveerd)
  2. De directie is ___ bij de medewerkers; dat merk je aan het werk. (betrokken)
  3. Hij doet zijn werk nauwelijks en lijkt meestal ___ . (lui)
  4. De bewoners zijn ___ bij het behoud van het zwembad. (betrokken)
  5. Wij waarderen een ___ medewerker die ook na vijf uur nog doorwerkt. (werkwillig)
  6. Het werk van de komende jaren is ___ ; daarom zoeken wij extra mensen. (onzeker)
  7. Hij is ___ en doet precies wat hem gevraagd wordt. (plichtsgetrouw)
  8. De opdracht werd uitgevoerd met ___ oog voor de details. (groot)
  9. Wij zoeken iemand die het werk leuk vindt en ___ is met nieuwe taken. (flexibel)
  10. De resultaten van het kwartaal zijn ___ ; de omzet steeg met tien procent. (verheffend)
  11. De ___ inzet van het team heeft het project gered. (vaste)
  12. Wij moeten de juiste balans vinden tussen ___ werken en herstel. (hard)