Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives and nominalisations

de doeltreffendheid, de zwakheid, de diversiteit, de ontevredenheid.

  1. De ___ van de maatregelen zal dit jaar worden geëvalueerd. (doeltreffend)
  2. De ___ van het beleid is vooral het ontbreken van concrete maatregelen. (zwak)
  3. De ___ van de bewoners is een bewuste keuze van de gemeente. (divers)
  4. De ___ van de communicatie tussen de afdelingen moet worden verbeterd. (duidelijk)
  5. Het beleid leidt tot een ___ reactie van de bewoners. (gemengd)
  6. De selectie van de medewerkers gebeurde met grote ___. (zorgvuldig)
  7. De ___ van het gebouw is de sleutel tot een succesvolle start. (toegankelijk)
  8. Het nieuwe plan is heel ___, maar wel erg duur. (ambitieus)
  9. Het ___ van de bewoners was onmisbaar. (medewerken)
  10. We moeten de ___ van de cijfers in het rapport bewaken. (nauwkeurig)
  11. Het is ___ of de nieuwe tarieven in de zomer ingaan. (onzeker)
  12. De ___ van de bewoners over de nieuwe tarieven is begrijpelijk. (ontevreden)