Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Participles used as adjectives

de betrokken partij, de gesloten aanvraag, de stijgende prijzen.

  1. De ___ partij in het conflict wil een bemiddelaar inschakelen. (betrokken)
  2. Door de ___ prijzen wordt het aflossen van de hypotheek steeds lastiger. (stijgend)
  3. De deur van de gemeenschapshal is al ___; de sleutel is kwijt. (sluiten)
  4. De ___ bewoners kwamen naar de informatieavond. (bezorgd)
  5. Wij willen een oplossing voor het ___ probleem. (bijzonder)
  6. De regering ziet het ___ moment om de belastingen te hervormen. (gunstig)
  7. Het aantal werklozen is het ___ tot nu toe. (laag)
  8. De ___ bestuurder nam in mei afscheid. (waarnemend)
  9. Wij zoeken een ___ adviseur voor het gemeentelijke project. (zelfstandig)
  10. Ik ben niet ___ met de manier waarop hij het heeft uitgelegd. (tevreden)
  11. De in 1890 ___ brug is nu een rijksmonument. (bouwen)
  12. De ___ buurt heeft de meeste sociale woningen. (nieuw)