B2 · Adjectives & articles
Articles: hem/het, ons/onze, elk/elke
Referring back to things, possessives and 'every' with de- and het-words.
- Heb je de sleutel gezien? Ik ben ___ kwijt.
- Het contract is klaar; je hoeft ___ alleen nog te ondertekenen.
- Die nieuwe fiets? Ik heb ___ gisteren gekocht.
- Het boek dat je me leende? Ik heb ___ in één nacht uitgelezen.
- ___ bedrijf heeft een nieuwe directeur.
- ___ afdeling verhuist naar de derde verdieping.
- Wij hebben vorige maand ___ huis verkocht.
- ___ kinderen gaan naar dezelfde school.
- ___ medewerker krijgt een laptop van de zaak.
- ___ jaar stijgen de huren opnieuw.
- Hij controleert ___ document twee keer.
- Dat is de man ___ auto gisteren is gestolen.