Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Articles: hem/het, ons/onze, elk/elke

Referring back to things, possessives and 'every' with de- and het-words.

  1. Heb je de sleutel gezien? Ik ben ___ kwijt.
  2. Het contract is klaar; je hoeft ___ alleen nog te ondertekenen.
  3. Die nieuwe fiets? Ik heb ___ gisteren gekocht.
  4. Het boek dat je me leende? Ik heb ___ in één nacht uitgelezen.
  5. ___ bedrijf heeft een nieuwe directeur.
  6. ___ afdeling verhuist naar de derde verdieping.
  7. Wij hebben vorige maand ___ huis verkocht.
  8. ___ kinderen gaan naar dezelfde school.
  9. ___ medewerker krijgt een laptop van de zaak.
  10. ___ jaar stijgen de huren opnieuw.
  11. Hij controleert ___ document twee keer.
  12. Dat is de man ___ auto gisteren is gestolen.