Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives: comparing & superlatives

steeds hoger, zo eerlijk mogelijk, meest, minste, het snelst.

  1. De energieprijzen worden steeds ___. (hoog)
  2. Dit is het ___ resultaat ooit. (goed)
  3. Probeer de vragen zo ___ mogelijk te beantwoorden. (eerlijk)
  4. Hij verdient veel ___ geld dan ik. (veel)
  5. Dat was de ___ vergissing van zijn carrière. (groot)
  6. In onze stad zijn er steeds ___ boekwinkels. (weinig)
  7. Zij is de ___ gemotiveerde student van de groep. (veel)
  8. Het ___ wat ik kan doen, is je helpen met verhuizen. (weinig)
  9. Met de trein ben je het ___ in Parijs. (snel)
  10. Sinds zijn pensioen is hij ___ dan ooit. (gelukkig)
  11. Het is een ___ huis dan ik had verwacht. (klein)
  12. De ___ keuze is niet altijd de beste. (goedkoop)