B2 · Adjectives & articles
Adjectives: materials & -en words
houten, gouden, wollen; open, eigen, gesloten never take -e.
- Ze kreeg van haar oma een ___ ring. (goud)
- Wij hebben een grote ___ tafel gekocht. (hout)
- In de winter draag ik graag een ___ trui. (wol)
- De ___ deur ging vanzelf open. (glas)
- Hij heeft een dure ___ jas gekocht. (leer)
- Er ligt een oude ___ brug over de rivier. (steen)
- Het ___ hek was helemaal verroest. (ijzer)
- Dit ___ overhemd kreukt erg snel. (katoen)
- Wil je de ___ deur even dichtdoen? (open)
- Na jaren huren wonen ze nu in hun ___ huis. (eigen)
- Veel winkels geven geen ___ tasjes meer mee. (plastic)
- We stonden een half uur voor een ___ deur. (gesloten)