Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives: materials & -en words

houten, gouden, wollen; open, eigen, gesloten never take -e.

  1. Ze kreeg van haar oma een ___ ring. (goud)
  2. Wij hebben een grote ___ tafel gekocht. (hout)
  3. In de winter draag ik graag een ___ trui. (wol)
  4. De ___ deur ging vanzelf open. (glas)
  5. Hij heeft een dure ___ jas gekocht. (leer)
  6. Er ligt een oude ___ brug over de rivier. (steen)
  7. Het ___ hek was helemaal verroest. (ijzer)
  8. Dit ___ overhemd kreukt erg snel. (katoen)
  9. Wil je de ___ deur even dichtdoen? (open)
  10. Na jaren huren wonen ze nu in hun ___ huis. (eigen)
  11. Veel winkels geven geen ___ tasjes meer mee. (plastic)
  12. We stonden een half uur voor een ___ deur. (gesloten)