Learn Dutch
B2 · Prepositions

Uit: origin and result

Uit for sources, outcomes and ranges.

  1. Het water van de beek stroomt ___ de duinen.
  2. Het nieuwe beleid is ___ de bewoners zelf opgesteld.
  3. Deze oplossing is ___ het overleg met de vakbond gekomen.
  4. Het evenement is afgelast ___ het slechte weer.
  5. De trein vertrekt ___ het derde perron.
  6. Het bonkende geluid kwam ___ de oude verwarming.
  7. De onzorgvuldigheid van de ploeg leidde ___ een boete.
  8. De brief is ___ de directie naar de Raad van Bestuur gestuurd.
  9. Dit boek bestaat ___ dertien hoofdstukken over stadsplanning.
  10. Zij put ___ een rijke ervaring in de zorg.
  11. De resultaten van de proef zijn ___ de norm gemeten.
  12. Het gebouw bestaat ___ drie verdiepingen en een kelder.