Learn Dutch
B2 · Prepositions

Bij: near, at and under

Bij for proximity, events and circumstances.

  1. De klant is ___ onze vestiging in Utrecht komen afspreken.
  2. We moeten ons aanmelden ___ het loket van de gemeente.
  3. Hij werkt sinds 2021 ___ een kenniscentrum voor ouderen.
  4. De jurist is samen met zijn cliënt ___ de rechter verschenen.
  5. Er is ___ de huidige omstandigheden geen andere oplossing mogelijk.
  6. De uitkomst bleef ___ de verwachtingen van de bewoners.
  7. Hij was ___ de deadline van de aanvraag niet op tijd klaar.
  8. Het regende het hard ___ het oude dak van de gymzaal.
  9. Deze opmerking was ___ de directie volstrekt onacceptabel.
  10. De paspoortcontrole vindt plaats ___ de grens.
  11. We troffen de winkel ___ de deur gesloten aan.
  12. Bij het voorvallen van ___ excursie was er plotseling een brandalarm.