Learn Dutch
B2 · Prepositions

Tegen: opposition and direction

Tegen for resistance, protection and deadlines.

  1. De demonstratie was gericht ___ het nieuwe tarievenbeleid.
  2. Zij pleitte ___ de belangen van de kinderen in de buurt.
  3. Het voorstel stuitte ___ sterke weerstand bij de bewoners.
  4. We moeten ons wapenen ___ kritiek van het publiek.
  5. Zijn werkwijze was ___ de afspraken die we gemaakt hadden.
  6. De partijen botsen ___ elkaar over de verdeling van het budget.
  7. Er was felle kritiek ___ het werk van de ombudsman.
  8. We moeten het conflict voorkomen ___ een gezamenlijk gesprek.
  9. De aanbesteding sluit ___ 15 mei.
  10. Hij waarschuwde ons ___ de gevolgen van het uitblijven van een reactie.
  11. Het is een strijd ___ de tijd die ons rest.
  12. Zij hield ___ de beschuldigingen van de werkgever stand.