B2 · Prepositions
Time: years and long periods
In, over, binnen and sedert with longer periods.
- De wijk heeft ___ de afgelopen jaren flink veranderd.
- Het project loopt ___ 2027 en moet dan klaar zijn.
- De aanvraag moet ___ drie maanden behandeld zijn.
- De fusie vond plaats ___ 2019; sindsdien werken beide vestigingen samen.
- De bewoners hebben de klachten ___ de eerste bewonersweek ingediend.
- De zaak moet ___ drie jaar rond zijn.
- De nieuwe norm voor de bomen geldt ___ 2026.
- Het dorp veranderde nauwelijks ___ de oorlogsjaren.
- De evaluatie vindt plaats ___ het einde van dit najaar.
- We moeten het beleid ___ het komende jaar evalueren.
- De koopkracht is ___ de laatste jaren sterk gedaald.
- De aanvraag moet ___ het einde van de maand binnen zijn.