Learn Dutch
B2 · Prepositions

Time: years and long periods

In, over, binnen and sedert with longer periods.

  1. De wijk heeft ___ de afgelopen jaren flink veranderd.
  2. Het project loopt ___ 2027 en moet dan klaar zijn.
  3. De aanvraag moet ___ drie maanden behandeld zijn.
  4. De fusie vond plaats ___ 2019; sindsdien werken beide vestigingen samen.
  5. De bewoners hebben de klachten ___ de eerste bewonersweek ingediend.
  6. De zaak moet ___ drie jaar rond zijn.
  7. De nieuwe norm voor de bomen geldt ___ 2026.
  8. Het dorp veranderde nauwelijks ___ de oorlogsjaren.
  9. De evaluatie vindt plaats ___ het einde van dit najaar.
  10. We moeten het beleid ___ het komende jaar evalueren.
  11. De koopkracht is ___ de laatste jaren sterk gedaald.
  12. De aanvraag moet ___ het einde van de maand binnen zijn.