Learn Dutch
B2 · Prepositions

Time: durations and deadlines

Over, in, binnen and gedurende with a length of time.

  1. De werkzaamheden hebben ___ de zomer geduurd.
  2. We kunnen het ___ drie weken opleveren.
  3. De reis duurde ___ vier uur en twintig minuten.
  4. Gedurende ___ hele middag was er geen enkele klacht.
  5. ___ een kwartier arriveert de trein in Utrecht.
  6. De opdracht moet ___ tien werkdagen worden afgerond.
  7. De eerste offerte is ___ twee weken geldig.
  8. We moeten het verslag ___ eind van deze week inleveren.
  9. Zij was ___ een jaar ziek thuis.
  10. Het project loopt door tot ___ zomer 2027.
  11. De vergadering duurde langer dan ___ uur.
  12. Het onderzoek loopt ___ de zomer door.