B2 · Prepositions
Time: durations and deadlines
Over, in, binnen and gedurende with a length of time.
- De werkzaamheden hebben ___ de zomer geduurd.
- We kunnen het ___ drie weken opleveren.
- De reis duurde ___ vier uur en twintig minuten.
- Gedurende ___ hele middag was er geen enkele klacht.
- ___ een kwartier arriveert de trein in Utrecht.
- De opdracht moet ___ tien werkdagen worden afgerond.
- De eerste offerte is ___ twee weken geldig.
- We moeten het verslag ___ eind van deze week inleveren.
- Zij was ___ een jaar ziek thuis.
- Het project loopt door tot ___ zomer 2027.
- De vergadering duurde langer dan ___ uur.
- Het onderzoek loopt ___ de zomer door.