B2 · Prepositions
Movement: going to a place
Naar, naar toe and in with direction.
- De bewoners lopen elke avond ___ het park bij het water.
- We gaan ___ boven om het uitzicht te bekijken.
- De excursie gaat ___ het openluchtmuseum in het bos.
- Vergeet niet uw sleutels mee te nemen ___ de uitgang.
- Hij verhuisde in 2020 ___ een ander land.
- De kat is ___ het dak gesprongen.
- We rijden richting ___ haven, want daar is een parkeerplaats.
- De vlucht werd omgerold ___ Schiphol vanwege het slechte weer.
- De fietser keerde terug ___ het kruispunt en sloot links af.
- Breng de post ___ het kantoor van de directeur.
- De ceremonie zal plaatsvinden ___ de aula van de universiteit.
- Het water stijgt sneller dan verwacht ___ de kade.