Learn Dutch
B2 · Prepositions

Movement: going to a place

Naar, naar toe and in with direction.

  1. De bewoners lopen elke avond ___ het park bij het water.
  2. We gaan ___ boven om het uitzicht te bekijken.
  3. De excursie gaat ___ het openluchtmuseum in het bos.
  4. Vergeet niet uw sleutels mee te nemen ___ de uitgang.
  5. Hij verhuisde in 2020 ___ een ander land.
  6. De kat is ___ het dak gesprongen.
  7. We rijden richting ___ haven, want daar is een parkeerplaats.
  8. De vlucht werd omgerold ___ Schiphol vanwege het slechte weer.
  9. De fietser keerde terug ___ het kruispunt en sloot links af.
  10. Breng de post ___ het kantoor van de directeur.
  11. De ceremonie zal plaatsvinden ___ de aula van de universiteit.
  12. Het water stijgt sneller dan verwacht ___ de kade.