Learn Dutch
B2 · Prepositions

Movement: leaving a place

Van, uit and weg with movement away from a place.

  1. De trein vertrekt om 14:20 ___ het perron nummer drie.
  2. Stap ___ de bus bij de derde halte.
  3. Het pakket is ___ het magazijn vertrokken.
  4. De vlucht vertrok ___ Schiphol om zes uur 's ochtends.
  5. We namen ___ het station de trein naar Utrecht.
  6. Het water trekt zich terug ___ de oevers bij laagwater.
  7. De fietser reed hard ___ de weg om de bocht te nemen.
  8. Haal het vuilniszakje even ___ de stoep.
  9. De bewoners kwamen ___ de vergadering met een concreet voorstel.
  10. Het geluid van de bouwplaats komt ___ de hele ochtend terug.
  11. Wij zijn ___ dit huis verhuisd zonder dat de buren iets merkten.
  12. De veerboot vaart elke twee uur ___ de overkant.