B2 · Prepositions
Movement: leaving a place
Van, uit and weg with movement away from a place.
- De trein vertrekt om 14:20 ___ het perron nummer drie.
- Stap ___ de bus bij de derde halte.
- Het pakket is ___ het magazijn vertrokken.
- De vlucht vertrok ___ Schiphol om zes uur 's ochtends.
- We namen ___ het station de trein naar Utrecht.
- Het water trekt zich terug ___ de oevers bij laagwater.
- De fietser reed hard ___ de weg om de bocht te nemen.
- Haal het vuilniszakje even ___ de stoep.
- De bewoners kwamen ___ de vergadering met een concreet voorstel.
- Het geluid van de bouwplaats komt ___ de hele ochtend terug.
- Wij zijn ___ dit huis verhuisd zonder dat de buren iets merkten.
- De veerboot vaart elke twee uur ___ de overkant.