Learn Dutch
B2 · Prepositions

Through and along: crossing a place

Door, langs and over with movement across or beside.

  1. De fietsroute loopt ___ het oude stadsdeel heen.
  2. We liepen ___ het kanaal om de brug te vermijden.
  3. Het geluid van de vliegtuigen komt ___ de huizen terecht.
  4. De excursie leidde ___ een oude watermolen.
  5. De monteur kroop ___ de smalle ruimte onder het dak.
  6. De tram reed ___ de brede laan met de bomen erlangs.
  7. Het vliegtuig vloog ___ een stormfront heen.
  8. Wij liepen ___ de muur om rust te houden.
  9. De vogel schoot ___ de bomen en landde in de struik.
  10. De weg loopt ___ de dijk langs en niet over de dijk.
  11. Het geluid klonk ___ de lege gang.
  12. De zon schijnde ___ het raam van de achterkamer.