B2 · Prepositions
Through and along: crossing a place
Door, langs and over with movement across or beside.
- De fietsroute loopt ___ het oude stadsdeel heen.
- We liepen ___ het kanaal om de brug te vermijden.
- Het geluid van de vliegtuigen komt ___ de huizen terecht.
- De excursie leidde ___ een oude watermolen.
- De monteur kroop ___ de smalle ruimte onder het dak.
- De tram reed ___ de brede laan met de bomen erlangs.
- Het vliegtuig vloog ___ een stormfront heen.
- Wij liepen ___ de muur om rust te houden.
- De vogel schoot ___ de bomen en landde in de struik.
- De weg loopt ___ de dijk langs en niet over de dijk.
- Het geluid klonk ___ de lege gang.
- De zon schijnde ___ het raam van de achterkamer.