B2 · Prepositions
Position: height and opposite sides
Boven, onder, tegenover and tegen for position.
- De helikopter vloog ___ het dak van het ziekenhuis.
- De fietsers reden ___ de oude brug door het water.
- De nieuwe bibliotheek staat ___ het station.
- De fiets stond ___ de muur geleund.
- De bovenkant van de kast staat ___ het plafond.
- De nieuwe bibliotheek staat ___ de oude, aan de overkant.
- De voeten van de tafel staan ___ de vloer.
- Het hangt ___ de zijkant van de koelkast.
- De kat lag ___ het bedje van het kind.
- De zon schijnt ___ het dak van de schuur.
- De klok aan de muur loopt ___ de klok op tafel.
- De bakker staat ___ het plein tegenover de kerk.