Learn Dutch
B2 · Prepositions

Position: height and opposite sides

Boven, onder, tegenover and tegen for position.

  1. De helikopter vloog ___ het dak van het ziekenhuis.
  2. De fietsers reden ___ de oude brug door het water.
  3. De nieuwe bibliotheek staat ___ het station.
  4. De fiets stond ___ de muur geleund.
  5. De bovenkant van de kast staat ___ het plafond.
  6. De nieuwe bibliotheek staat ___ de oude, aan de overkant.
  7. De voeten van de tafel staan ___ de vloer.
  8. Het hangt ___ de zijkant van de koelkast.
  9. De kat lag ___ het bedje van het kind.
  10. De zon schijnt ___ het dak van de schuur.
  11. De klok aan de muur loopt ___ de klok op tafel.
  12. De bakker staat ___ het plein tegenover de kerk.