Learn Dutch
B2 · Prepositions

Separable adverbs: away, back, ahead

Adverbial adverbs such as terug, weg, vooraf and achteraf.

  1. De bewoners kwamen ___ de vergadering terug.
  2. Wij bellen altijd ___ overleg vooraf.
  3. Toen het mis ging, liep iedereen snel ___ de halen uit.
  4. Ze heeft de fout pas ___ de presentatie ontdekt.
  5. De ploeg speelt de tweede helft nog ___ zeker op.
  6. Wij moeten het project ___ zetten voordat de subsidie verstrijkt.
  7. We willden het gesprek met de buurtman ___ een keer over.
  8. Het regende de hele dag, maar het zwaar ___ de glazen.
  9. De excursie ___ om half negen van het plein vertrekken.
  10. Wij moeten de presentatie ___ af beloven voor vrijdag.
  11. De bewoners hebben het probleem ___ genomen en zelf opgelost.
  12. Het is moeilijk om de oude bewoners ___ de buurt te houden.