B2 · Prepositions
Separable adverbs: away, back, ahead
Adverbial adverbs such as terug, weg, vooraf and achteraf.
- De bewoners kwamen ___ de vergadering terug.
- Wij bellen altijd ___ overleg vooraf.
- Toen het mis ging, liep iedereen snel ___ de halen uit.
- Ze heeft de fout pas ___ de presentatie ontdekt.
- De ploeg speelt de tweede helft nog ___ zeker op.
- Wij moeten het project ___ zetten voordat de subsidie verstrijkt.
- We willden het gesprek met de buurtman ___ een keer over.
- Het regende de hele dag, maar het zwaar ___ de glazen.
- De excursie ___ om half negen van het plein vertrekken.
- Wij moeten de presentatie ___ af beloven voor vrijdag.
- De bewoners hebben het probleem ___ genomen en zelf opgelost.
- Het is moeilijk om de oude bewoners ___ de buurt te houden.