Learn Dutch
B2 · Prepositions

Cause: because of and through

Door, vanwege, wegens and doordat for reasons.

  1. De dienst is uitgesteld ___ de storm.
  2. De brug is gesloten ___ het hoge water.
  3. De vergadering is uitgesteld ___ het slechte weer.
  4. Zij vroeg ___ de drukte om te vertrekken.
  5. De leerlingen konden niet naar buiten ___ het slechte weer.
  6. Het project is gestopt ___ gebrek aan financiering.
  7. Hij bleef thuis, ___ het slechte weer.
  8. De prijzen stegen ___ de sterkere vraag naar woningen.
  9. De vergadering is geannuleerd ___ het overlijden van een deelnemer.
  10. Zij kon niet komen ___ haar dochter was ziek.
  11. Het huishouden is in de problemen gekomen ___ de stijgende energieprijzen.
  12. De dienstregeling is aangepast ___ de vraag van de reizigers.