B2 · Prepositions
Cause: because of and through
Door, vanwege, wegens and doordat for reasons.
- De dienst is uitgesteld ___ de storm.
- De brug is gesloten ___ het hoge water.
- De vergadering is uitgesteld ___ het slechte weer.
- Zij vroeg ___ de drukte om te vertrekken.
- De leerlingen konden niet naar buiten ___ het slechte weer.
- Het project is gestopt ___ gebrek aan financiering.
- Hij bleef thuis, ___ het slechte weer.
- De prijzen stegen ___ de sterkere vraag naar woningen.
- De vergadering is geannuleerd ___ het overlijden van een deelnemer.
- Zij kon niet komen ___ haar dochter was ziek.
- Het huishouden is in de problemen gekomen ___ de stijgende energieprijzen.
- De dienstregeling is aangepast ___ de vraag van de reizigers.