Learn Dutch
B2 · Prepositions

Verheugen op en uitzien naar

Looking forward to news, seasons and decisions.

  1. De bewoners verheugen zich ___ de mogelijkheid om het groen zelf te beheren. (verheugen)
  2. Wij kijken uit ___ een definitief antwoord van de gemeente. (uitzien)
  3. Het dorp kijkt uit ___ de komst van de nieuwe buslijn. (uitzien)
  4. Zij heeft lang uitgezien ___ een baan in het onderwijs. (uitzien)
  5. Ik verheug me alvast op de rust ___ de zomermaanden. (verheugen)
  6. Wij hebben ons verheugd ___ het akkoord dat de bewoners hebben gegeven. (verheugen)
  7. Het bestuur verheugt zich ___ de hoge opkomst bij de stemming. (verheugen)
  8. Wij kijken reikhalend uit ___ het akkoord met de vakbond. (uitzien)
  9. Veel bewoners verheugen zich ___ de afschaffing van de parkeerbelasting. (verheugen)
  10. Hij had zich op de komst van de staatssecretaris ___ voorbereid. (voorbereiden)
  11. De pers heeft met belangstelling uitgezien ___ de uitkomsten van de peiling. (uitzien)
  12. Wij kijken uit naar de reacties van de omwonenden ___ het plan. (uitzien)