Learn Dutch
B2 · Prepositions

Terugkomen op en ingaan op

Going back to a topic, a person or a decision.

  1. In de volgende vergadering komen wij terug ___ de punten die u hebt genoemd. (terugkomen)
  2. Het college gaat in ___ de bezwaren die de bewoners hebben ingediend. (ingaan)
  3. De directeur keerde terug ___ het begin van het jaar bij de oude werkgever. (keren)
  4. We moeten ingaan ___ de zorgen die de omwonenden hebben geuit. (ingaan)
  5. Zij kwam terug ___ het verwijt dat zij zelf had geuit. (terugkomen)
  6. De bewoners willen niet ingaan ___ de discussie over de bezetting van de supermarkt. (ingaan)
  7. Het plan moet terugkomen ___ de agenda van het overleg. (terugkomen)
  8. De redacteur moet ingaan ___ de vragen die de lezers hebben gesteld. (ingaan)
  9. Toen de crisis voorbij was, keerde de rust in de wijk terug ___ het oude niveau. (keren)
  10. Zij wachtte tot de rust was teruggekeerd en ging toen in ___ de omslag van het project. (ingaan)
  11. De raadsfractie komt in de volgende vergadering terug ___ het amendement over de tarieven. (terugkomen)
  12. We komen later in de vergadering nog ___ dit punt terug. (terugkomen)