Learn Dutch
B2 · Prepositions

Vooruitgang en achteruitgang

Making progress and going backwards.

  1. De afdeling heeft op het gebied ___ digitalisering vooruitgang geboekt. (boeken)
  2. Het aantal klanten is sterk in terugval ___ het afgelopen jaar. (zijn)
  3. De omzet van de supermarkt liep terug ___ de komst van een discountketen. (teruglopen)
  4. Er is de afgelopen tien jaar geen grote vooruitgang geboekt ___ de integratie van nieuwkomers. (boeken)
  5. De bezuinigingen hebben geleid ___ een grote teruggang in het onderhoud. (leiden)
  6. De bewoners willen de vooruitgang ___ de wijk niet opgeven. (opgeven)
  7. De omzet van het museum is ___ het niveau van 2019 gebleven. (blijven)
  8. De omzet daalde ___ het niveau van 2019. (dalen)
  9. Er is dit jaar een grote sprong gemaakt ___ het aantal actieve vrijwilligers. (maken)
  10. Het kabinet heeft de ambities ___ de zorg fors bijgesteld. (bijstellen)
  11. Zonder structurele investeringen blijft de achterstand ___ de wijk groeien. (groeien)
  12. De vooruitgang die de wijk heeft geboekt, is ___ de afgelopen vijf jaar duurzaam gebleken. (zijn)