Learn Dutch
B2 · Prepositions

Omgaan met mensen en regels

Omgaan met: bewoners, gevoelens, regels en gegevens.

  1. De wijkcoördinator moet goed kunnen omgaan ___ boze bewoners. (omgaan)
  2. De zorgorganisatie moet zorgvuldig omgaan ___ de persoonsgegevens van patiënten. (omgaan)
  3. Daar moet de directie zorgvuldig ___ omgaan. (omgaan)
  4. Het zwembad houdt streng toezicht ___ de veiligheidsregels in het zwembad. (toezicht)
  5. Wij moeten zorgvuldig omgaan ___ de gevolgen voor huishoudens met een laag inkomen. (omgaan)
  6. De bewoners weten niet goed hoe zij moeten omgaan ___ het burengerucht. (omgaan)
  7. Er wordt streng omgegaan ___ de aanwijzingen van de ombudsman. (omgaan)
  8. De inspectie moet streng omgaan ___ de veiligheid van de bewoners. (omgaan)
  9. Het bestuur gaat nuchter omgaan ___ de klachten van de buurt. (omgaan)
  10. De jeugdcommissie weet niet goed hoe zij moet omgaan ___ de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt. (omgaan)
  11. Met die sterke stijging van de energieprijzen moet de gemeente zorgvuldig ___ omgaan. (omgaan)
  12. Er moet zorgvuldig worden omgegaan ___ de privacy van de aanvragers. (omgaan)