B2 · Prepositions
Te maken hebben met en samenhang
Verbanden: oorzaken, verbanden en samenhang.
- De stijging van de huur heeft sterk te maken ___ het tekort aan betaalbare woningen. (maken)
- De lage opkomst houdt verband ___ het slechte weer op die dag. (houden)
- De kwaliteit van het onderwijs hangt sterk samen ___ de inzet van de docenten. (hangen)
- De toename van de wachttijd bij de huisartsenpost houdt verband ___ het personeelstekort. (houden)
- Wij weten niet wat de oorzaak is; het heeft niets te maken ___ de plannen die wij gemaakt hebben. (maken)
- De prijsstijging is in samenhang ___ de oplopende energiekosten. (zijn)
- Dit probleem heeft te maken ___ de manier waarop de vergunningen worden verleend. (maken)
- Het besluit van de raad houdt geen verband ___ de klachten die zijn ingediend. (houden)
- De uitkomst van de verkiezingen houdt sterk verband ___ de economische situatie. (houden)
- Er bestaat een duidelijke samenhang ___ de kwaliteit van de opleiding en de kans op de arbeidsmarkt. (bestaan)
- Het lage opkomstpercentage houdt verband ___ het gebrek aan informatie over de herinrichting. (houden)
- De onzekerheid over de opzet hangt samen ___ de discussie binnen de coalitie. (hangen)