Learn Dutch
B2 · Prepositions

Te maken hebben met en samenhang

Verbanden: oorzaken, verbanden en samenhang.

  1. De stijging van de huur heeft sterk te maken ___ het tekort aan betaalbare woningen. (maken)
  2. De lage opkomst houdt verband ___ het slechte weer op die dag. (houden)
  3. De kwaliteit van het onderwijs hangt sterk samen ___ de inzet van de docenten. (hangen)
  4. De toename van de wachttijd bij de huisartsenpost houdt verband ___ het personeelstekort. (houden)
  5. Wij weten niet wat de oorzaak is; het heeft niets te maken ___ de plannen die wij gemaakt hebben. (maken)
  6. De prijsstijging is in samenhang ___ de oplopende energiekosten. (zijn)
  7. Dit probleem heeft te maken ___ de manier waarop de vergunningen worden verleend. (maken)
  8. Het besluit van de raad houdt geen verband ___ de klachten die zijn ingediend. (houden)
  9. De uitkomst van de verkiezingen houdt sterk verband ___ de economische situatie. (houden)
  10. Er bestaat een duidelijke samenhang ___ de kwaliteit van de opleiding en de kans op de arbeidsmarkt. (bestaan)
  11. Het lage opkomstpercentage houdt verband ___ het gebrek aan informatie over de herinrichting. (houden)
  12. De onzekerheid over de opzet hangt samen ___ de discussie binnen de coalitie. (hangen)