Learn Dutch
B2 · Prepositions

Vertrouwen op en vertrouwen in

Trusting people, institutions and values.

  1. De patiënten vertrouwen ___ de zorg van de huisarts in de wijk. (vertrouwen)
  2. Veel kopers vertrouwen niet ___ de cijfers die de makelaar laat zien. (vertrouwen)
  3. Er is weinig vertrouwen ___ de manier waarop de gemeente de klachten behandelt. (zijn)
  4. Wij vertrouwen ___ de toezegging dat de klant het aanbod accepteert. (vertrouwen)
  5. Het vertrouwen ___ de lokale overheid is de afgelopen jaren sterk gedaald. (zijn)
  6. Zij vertrouwt niet ___ de gegevens die de app doorgeeft. (vertrouwen)
  7. De rekenkamer wil het vertrouwen ___ de instellingen herstellen. (herstellen)
  8. De directeur vertrouwt ___ de onafhankelijke controle door de rekenkamer. (vertrouwen)
  9. Er is geen vertrouwen ___ de beloften die de politiek gedaan heeft. (zijn)
  10. Het vertrouwen ___ de pers wordt bepaald door de manier waarop de redactie met fouten omgaat. (zijn)
  11. Wij vertrouwen ___ de afspraken die met de woningcorporatie zijn gemaakt. (vertrouwen)
  12. De bewoners vertrouwen ___ de bemiddelaar, maar niet op de procedure van de woningcorporatie. (vertrouwen)