Learn Dutch
B2 · Prepositions

Voorzien in en voorzien van

Providing solutions, funding, equipment and care.

  1. De noodopvang voorziet ___ onderdak voor zestig gezinnen. (voorzien)
  2. Het fonds voorziet ___ een tegemoetkoming voor lage inkomens. (voorzien)
  3. Het beleid voorziet ___ maatregelen om de geluidsoverlast aan te pakken. (voorzien)
  4. De nieuwe vestiging is voorzien ___ een moderne fitnessruimte. (voorzien)
  5. Wij moeten met spoed voorzien ___ een structurele oplossing voor de parkeerdruk. (voorzien)
  6. De bus is voorzien ___ een rollende vloer voor rolstoelgebruikers. (voorzien)
  7. Er is nog voorzien ___ een oplossing voor het probleem van de stijgende huurprijzen. (voorzien)
  8. De junior bedrijfsleider is voorzien ___ een duidelijke takenomschrijving. (voorzien)
  9. De wijk moet de komende jaren voorzien ___ voldoende huurwoningen. (voorzien)
  10. De kinderen zijn voorzien ___ warme kleding en een lunchpakket. (voorzien)
  11. Het rapport voorziet ___ een evaluatie van de werkwijze binnen twee jaar. (voorzien)
  12. Het gebouw is voorzien ___ zonnepanelen en een warmtepomp. (voorzien)