Learn Dutch
B2 · Prepositions

Verantwoordelijk en aansprakelijk

Who is responsible and who is liable for what.

  1. De huishoudelijke hulp is verantwoordelijk ___ het welzijn van de bewoners. (zijn)
  2. De werkgever is aansprakelijk ___ de schade die door het personeel is veroorzaakt. (zijn)
  3. De raad stelt het college verantwoordelijk ___ het uitblijven van maatregelen. (stellen)
  4. De bewoners willen de eigenaar aansprakelijk stellen ___ de schade aan de gevel. (stellen)
  5. De rekenkamer is verantwoordelijk ___ het toezicht op de besteding van de middelen. (zijn)
  6. De verhuurder is niet aansprakelijk ___ schade door eigen gebreken aan het huis. (zijn)
  7. De ouders blijven verantwoordelijk ___ de schoolgang van hun kinderen. (blijven)
  8. De leverancier moet aansprakelijk worden gesteld ___ de onvolledige levering. (worden)
  9. Wie de schade veroorzaakt, is daarvoor verantwoordelijk en aansprakelijk ___ de gevolgen. (zijn)
  10. Het bestuur is verantwoordelijk ___ de communicatie met de bewoners over de sloop. (zijn)
  11. De ombudsman is niet verantwoordelijk ___ de beslissingen van de minister. (zijn)
  12. De vastgoedondernemer is aansprakelijk ___ de gebreken die hij heeft verzwegen. (zijn)