Learn Dutch
B2 · Prepositions

Afhankelijk van en onafhankelijk van

Dependence, independence and self-reliance.

  1. Veel kleine bedrijven zijn sterk afhankelijk ___ de economische omstandigheden. (zijn)
  2. De rekenkamer moet onafhankelijk ___ de minister kunnen handelen. (zijn)
  3. De winkel is gebonden ___ een leveringscontract dat nog drie jaar loopt. (zijn)
  4. Deze methode is niet afhankelijk ___ de medewerking van de burger. (zijn)
  5. De oudervereniging wil onafhankelijk ___ de politieke partijen blijven. (blijven)
  6. De jongen is nog sterk afhankelijk ___ zijn ouders. (zijn)
  7. Het project is volledig los ___ de eerdere samenwerking met de gemeente. (zijn)
  8. De uitkomst van de peiling hangt sterk af ___ de deelname van de kiezers. (hangen)
  9. De tarieven zijn onafhankelijk ___ de inhoud van het pakket. (zijn)
  10. Wij willen een oplossing die niet afhankelijk is ___ subsidies van de overheid. (zijn)
  11. De gemeente treedt zelfstandig op en is daardoor niet gebonden ___ de oude reglementering. (zijn)
  12. Onze klanten zijn gewend aan een snelle levering en dat maakt het bedrijf onafhankelijk ___ de concurrentie. (zijn)