Learn Dutch
B2 · Prepositions

Vergelijken en verhoudingen

Comparing figures, ratios and relative differences.

  1. In vergelijking ___ 2019 is het aantal klanten met twintig procent toegenomen. (vergelijken)
  2. Ten opzichte ___ het modaal inkomen is de huur in deze wijk fors gestegen. (zijn)
  3. Het verschil ___ het oude systeem zit vooral in de snelheid van de afhandeling. (zijn)
  4. De verhouding ___ het aantal bomen en het aantal parkeerplaatsen is sterk scheefgegaan. (zijn)
  5. De bevolking van de binnenstad is veel kleiner geworden ___ die van de randstad. (worden)
  6. In verhouding ___ de bevolking is het aantal parkeerplaatsen in dit gebied laag. (zijn)
  7. De uitstoot per inwoner is lager ___ het gemiddelde van de landen in de Europese Unie. (zijn)
  8. De verhouding ___ vraag en aanbod is in de afgelopen jaren sterk veranderd. (zijn)
  9. Ten opzichte ___ de Europese norm heeft dit gebouw nog ruim drie keer zoveel energie nodig. (nodig)
  10. Het verschil ___ de twee gemeenten is sinds de fusie grotendeels verdwenen. (zijn)
  11. Het aantal klachten is in verhouding ___ het aantal bewoners sterk gedaald. (zijn)
  12. De huur ligt ver ___ het gemiddelde van de rest van de provincie. (liggen)