Learn Dutch
B2 · Prepositions

Prijs, kosten en tarieven

Prices, rates, costs and who pays for what.

  1. De prijs ___ de woning is met tien procent gestegen ten opzichte van vorig jaar. (stijgen)
  2. De huur voor een kamer bedraagt vierhonderd euro ___ maand. (bedragen)
  3. De kosten van het onderhoud komen voor rekening ___ de eigenaar. (komen)
  4. Het tarief ___ de omzet van de zorgverleners is dit jaar verhoogd. (verhogen)
  5. De prijs ___ vierkante meter in deze buurt ligt boven het regionaal gemiddelde. (liggen)
  6. De huurders betalen een bijdrage ___ het onderhoud van de gemeenschapshal. (betalen)
  7. De stijging van de prijzen ___ energie heeft grote gevolgen voor de bewoners. (stijgen)
  8. De vergoeding voor de reiskosten is gekoppeld ___ het aantal werkdagen. (koppelen)
  9. De gemeente wil de tarieven voor de sportverenigingen beperken ___ een vast maximum per jaar. (beperken)
  10. Het prijsverschil ___ de huizen aan het water en die erachter is enorm. (zijn)
  11. De heffing voor afval is een bedrag ___ de grootte van de vuilniszak. (zijn)
  12. De huur ligt ruime twee keer ___ het gemiddelde in de rest van de stad. (liggen)