Learn Dutch
B2 · Prepositions

Bestuur en overheid

Government bodies, officials and decisions.

  1. De ambtenaar werkt bij de afdeling vergunningverlening ___ de gemeente. (werken)
  2. Het ministerie van Volksgezondheid is verhuisd ___ een ander pand in Den Haag. (verhuizen)
  3. De nota is opgesteld ___ het gemeentelijk beleid. (opstellen)
  4. Het besluit is genomen ___ de gemeenteraad in stemming. (nemen)
  5. Iedere burger kan een klacht indienen ___ de ombudsman. (indienen)
  6. De vergunning is afgegeven ___ het college van burgemeester en wethouders. (afgeven)
  7. Het wetsvoorstel ligt ter goedkeuring ___ de Tweede Kamer. (liggen)
  8. De minister sprak tijdens het debat met de volksvertegenwoordigers ___ de begroting. (spreken)
  9. De provinciale overheid is bevoegd ___ de aanleg van de provinciale wegen. (zijn)
  10. De rekenkamer publiceerde een rapport ___ de doelmatigheid van de uitgaven. (publiceren)
  11. De gemeente heeft een klachtenreglement opgesteld ___ een onafhankelijke ombudsman. (opstellen)
  12. De bewoners hebben het college rechtstreeks aangesproken ___ de ontwikkeling van het plein. (aanspreken)