Learn Dutch
B2 · Prepositions

Werken en in dienst zijn

Work, contracts, applications and service charges.

  1. Zij is inmiddels vijf jaar in dienst ___ het ziekenhuis in Utrecht. (zijn)
  2. De woonconsulent werkt ___ de gemeentelijke woningcorporatie. (werken)
  3. Zij heeft gesolliciteerd ___ de functie van regiemanager. (solliciteren)
  4. De medewerkers van de gemeente krijgen hun instructies ___ het digitale werkplatform. (krijgen)
  5. De arbeidsovereenkomst geldt ___ de duur van twee jaar. (gelden)
  6. De bedrijfsarts kijkt ___ de gezondheid van de medewerkers in de fabriek. (kijken)
  7. De werknemer is aangesloten ___ de bedrijfsvereniging voor de sector. (aansluiten)
  8. Het salaris wordt maandelijks uitbetaald, samen ___ een vakantietoeslag. (uitbetalen)
  9. De stage duurt zes maanden en vindt plaats ___ een zorginstelling in de wijk. (vinden)
  10. De werkgever is gebonden ___ de afspraken in de cao over de werktijden. (zijn)
  11. Wij zoeken een kandidaat die ervaring heeft ___ het gemeentelijk beleid. (hebben)
  12. De medewerkers hebben recht ___ een periodieke beoordeling van hun functioneren. (hebben)