Learn Dutch
B2 · Prepositions

Wonen en huren

Renting, landlords, deposits and housing problems.

  1. Het huis waar de familie woont is eigendom ___ de woningcorporatie. (zijn)
  2. De huur ___ deze woning bedraagt achttien honderd euro per maand. (bedragen)
  3. De verhuurder vraagt een borgsom ___ twee maanden huur bij de start. (vragen)
  4. De huurders zijn geconfronteerd ___ een groot aantal gebreken aan de woning. (geconfronteerd)
  5. De huurcommissie heeft de klacht ___ de verhoging van de huur ontvangen. (ontvangen)
  6. De bewoners protesteerden ___ de verdere opzegging van hun huurcontract. (protesteren)
  7. De woonlast van het huishouden is sterk gestegen ___ de energieprijzen. (stijgen)
  8. Het onderhoud van de gemeenschappelijke ruimten is de taak ___ de eigenaar. (zijn)
  9. Het aanbod van de woningcorporatie is uitgebracht ___ drie kandidaten. (uitbrengen)
  10. Een deel van de bewoners verkeert ___ een huurbeschermingssituatie. (verkeren)
  11. De verhuurder mag de kosten van het grote onderhoud niet doorberekenen ___ de huurder. (doorberekenen)
  12. De woonwettelijke bescherming geldt ___ huurders met een inkomen onder 120 procent van de norm. (gelden)