B2 · Prepositions
Wonen en huren
Renting, landlords, deposits and housing problems.
- Het huis waar de familie woont is eigendom ___ de woningcorporatie. (zijn)
- De huur ___ deze woning bedraagt achttien honderd euro per maand. (bedragen)
- De verhuurder vraagt een borgsom ___ twee maanden huur bij de start. (vragen)
- De huurders zijn geconfronteerd ___ een groot aantal gebreken aan de woning. (geconfronteerd)
- De huurcommissie heeft de klacht ___ de verhoging van de huur ontvangen. (ontvangen)
- De bewoners protesteerden ___ de verdere opzegging van hun huurcontract. (protesteren)
- De woonlast van het huishouden is sterk gestegen ___ de energieprijzen. (stijgen)
- Het onderhoud van de gemeenschappelijke ruimten is de taak ___ de eigenaar. (zijn)
- Het aanbod van de woningcorporatie is uitgebracht ___ drie kandidaten. (uitbrengen)
- Een deel van de bewoners verkeert ___ een huurbeschermingssituatie. (verkeren)
- De verhuurder mag de kosten van het grote onderhoud niet doorberekenen ___ de huurder. (doorberekenen)
- De woonwettelijke bescherming geldt ___ huurders met een inkomen onder 120 procent van de norm. (gelden)