Learn Dutch
B2 · Prepositions

Onderwijs en leren

Schools, courses, exams and adult education.

  1. De helft van de bewoners volgt een cursus ___ de Nederlandse taal. (volgen)
  2. Zij is al tien jaar verbonden ___ het middelbare onderwijs in de stad. (verbinden)
  3. De leerlingen zitten ___ het examen dat in juni wordt afgenomen. (zitten)
  4. De ouders ontvangen na elk schooljaar een rapport ___ de ontwikkeling van hun kind. (ontvangen)
  5. De nieuwe leergangen sluiten aan ___ het bestaande lesprogramma. (aansluiten)
  6. Het vak maakt deel uit ___ het curriculum van de school. (uitmaken)
  7. De school is gestart ___ een programma voor de naschoolse opvang. (starten)
  8. De leraar besteedt veel aandacht ___ de zwakke leesvaardigheid van de groep. (besteden)
  9. De studenten moeten hun scriptie indienen ___ de docent van hun afstudeerrichting. (indienen)
  10. De school scoort op leesvaardigheid ___ het gemiddelde van de regio. (scoren)
  11. De leerlingen worden geëvalueerd ___ een aantal competenties uit het profiel. (evalueren)
  12. Wie een opleiding wil starten, moet eerst een intakegesprek ___ het ROC voeren. (voeren)