B2 · Prepositions
Vervoer en mobiliteit
Public transport, cycling, commuting and traffic.
- De bewoners reizen dagelijks met de trein ___ het station in de buurt. (reizen)
- De bus rijdt elke twintig minuten ___ de omliggende dorpen. (rijden)
- Er staat deze ochtend een vertraging ___ de lijn naar het centrum. (staan)
- Veel werknemers komen per fiets ___ de stad. (komen)
- De fietsers moeten de weg ___ de school delen met de auto's. (delen)
- Het openbaar vervoer in de regio is de afgelopen jaren uitgebreid ___ de omliggende gemeenten. (uitbreiden)
- De files op de ring zorgen voor een flinke toename ___ de reistijd. (zorgen)
- De overheid stimuleert het fietsverkeer door fietspaden ___ aan te leggen. (leggen)
- De taxibranch is het niet eens met de nieuwe eisen ___ de voertuigen. (eens)
- Voor het centrum geldt een milieuzone ___ dieselauto's. (gelden)
- De trein naar het noorden vertrekt ___ een ander perron dan gewoonlijk. (vertrekken)
- De bewoners rijden liever met de fiets dan ___ de bus naar het centrum. (rijden)