Learn Dutch
B2 · Prepositions

Vervoer en mobiliteit

Public transport, cycling, commuting and traffic.

  1. De bewoners reizen dagelijks met de trein ___ het station in de buurt. (reizen)
  2. De bus rijdt elke twintig minuten ___ de omliggende dorpen. (rijden)
  3. Er staat deze ochtend een vertraging ___ de lijn naar het centrum. (staan)
  4. Veel werknemers komen per fiets ___ de stad. (komen)
  5. De fietsers moeten de weg ___ de school delen met de auto's. (delen)
  6. Het openbaar vervoer in de regio is de afgelopen jaren uitgebreid ___ de omliggende gemeenten. (uitbreiden)
  7. De files op de ring zorgen voor een flinke toename ___ de reistijd. (zorgen)
  8. De overheid stimuleert het fietsverkeer door fietspaden ___ aan te leggen. (leggen)
  9. De taxibranch is het niet eens met de nieuwe eisen ___ de voertuigen. (eens)
  10. Voor het centrum geldt een milieuzone ___ dieselauto's. (gelden)
  11. De trein naar het noorden vertrekt ___ een ander perron dan gewoonlijk. (vertrekken)
  12. De bewoners rijden liever met de fiets dan ___ de bus naar het centrum. (rijden)