Learn Dutch
B2 · Prepositions

Meten, normen en indicatoren

Measurements, benchmarks, indicators and targets.

  1. De meting ___ de luchtkwaliteit wordt elke maand in de wijk uitgevoerd. (meten)
  2. De norm ___ geluid in woonwijken is in 2024 aangescherpt. (aanscherpen)
  3. Het aantal gemelde zaken is met vijftien procent gestegen ___ de vorige meting. (stijgen)
  4. De wijk scoort op leefbaarheid ___ het landelijk gemiddelde. (scoren)
  5. De doelstelling ___ 2030 geldt voor de reductie van de uitstoot in alle sectoren. (gelden)
  6. De waarde van de indicator is sterk afhankelijk ___ de gekozen meetmethode. (afhangen)
  7. De uitkomsten van de meting worden vergeleken ___ een Europees gemiddelde uit 2022. (vergelijken)
  8. Er zijn geen afgesproken normen ___ de dikte van het glas in dit pand. (zijn)
  9. De meetresultaten worden maandelijks gecontroleerd ___ een extern bureau. (controleren)
  10. De uitkomst van de meting komt ___ de verwachtingen van de bewoners. (uitkomen)
  11. In het jaarverslag staat hoe de cijfers zich verhouden ___ de doelstellingen. (verhouden)
  12. De betrouwbaarheid van de steekproef hangt sterk af ___ de gekozen methode. (hangen)