B2 · Prepositions
Er- and waar- + preposition
erover, ervan, waaraan, met wie…
- Sorry, ik heb er nog niet ___ gedacht.
- Waar ben je eigenlijk zo bang ___?
- Ik ben ___ overtuigd dat dit plan werkt.
- Weet jij ___ het gesprek ging?
- Het project ___ ik werk, wordt door de EU gefinancierd.
- Ik reken ___ dat je morgen op tijd bent.
- Hij heeft er vandaag echt geen zin ___.
- Dit is het huis ___ ik ben opgegroeid.
- Ze heeft ___ gekozen om in Utrecht te studeren.
- Of we gaan? Dat hangt er nog ___ af.
- De collega ___ ik het meest samenwerk, gaat binnenkort weg.
- Ik kijk ___ uit om je weer te zien.