Learn Dutch
B2 · Prepositions

Er- and waar- + preposition

erover, ervan, waaraan, met wie…

  1. Sorry, ik heb er nog niet ___ gedacht.
  2. Waar ben je eigenlijk zo bang ___?
  3. Ik ben ___ overtuigd dat dit plan werkt.
  4. Weet jij ___ het gesprek ging?
  5. Het project ___ ik werk, wordt door de EU gefinancierd.
  6. Ik reken ___ dat je morgen op tijd bent.
  7. Hij heeft er vandaag echt geen zin ___.
  8. Dit is het huis ___ ik ben opgegroeid.
  9. Ze heeft ___ gekozen om in Utrecht te studeren.
  10. Of we gaan? Dat hangt er nog ___ af.
  11. De collega ___ ik het meest samenwerk, gaat binnenkort weg.
  12. Ik kijk ___ uit om je weer te zien.