Learn Dutch
B2 · Prepositions

More adjectives & nouns + prep.

trots op, rijk aan, invloed op, onderzoek naar…

  1. Ze is nog steeds boos ___ haar broer.
  2. Wij zijn heel trots ___ onze dochter.
  3. Hij is al twintig jaar getrouwd ___ een Belgische.
  4. Dit gebied is rijk ___ grondstoffen.
  5. Hij is verliefd ___ zijn buurmeisje.
  6. In de zorg is een groot tekort ___ personeel.
  7. Hij heeft weinig respect ___ zijn collega's.
  8. De invloed van sociale media ___ jongeren is groot.
  9. Ze heeft veel ervaring ___ projectmanagement.
  10. Voorlopig is er geen oplossing ___ dit probleem.
  11. Het onderzoek ___ de oorzaken van burn-out loopt nog.
  12. Ik denk niet dat hij geschikt is ___ deze functie.