Learn Dutch
B2 · Prepositions

Er, daar & waar: split forms

Daar ben ik blij mee, waar heb je het over, waardoor, waarmee…

  1. Het mes ___ hij het brood sneed, was bot.
  2. Ze kreeg een dure fiets, maar ze is er niet blij ___.
  3. Ik wist niet dat je er zo veel ___ wist.
  4. Hij heeft hard gewerkt, en daar ben ik hem dankbaar ___.
  5. Het doel ___ het geld bestemd is, is onduidelijk.
  6. Ik heb geen idee ___ ze het over hebben.
  7. De storm, ___ veel bomen omwaaiden, duurde twee dagen.
  8. Dit is precies het punt ___ ik het niet eens ben.
  9. We hebben ___ gisteren lang over gediscussieerd.
  10. Hij is er nooit ___ geslaagd om zijn schulden af te lossen.
  11. ___ heb ik helemaal geen bezwaar tegen.
  12. Waar wacht je nog ___?