B2 · Prepositions
Er, daar & waar: split forms
Daar ben ik blij mee, waar heb je het over, waardoor, waarmee…
- Het mes ___ hij het brood sneed, was bot.
- Ze kreeg een dure fiets, maar ze is er niet blij ___.
- Ik wist niet dat je er zo veel ___ wist.
- Hij heeft hard gewerkt, en daar ben ik hem dankbaar ___.
- Het doel ___ het geld bestemd is, is onduidelijk.
- Ik heb geen idee ___ ze het over hebben.
- De storm, ___ veel bomen omwaaiden, duurde twee dagen.
- Dit is precies het punt ___ ik het niet eens ben.
- We hebben ___ gisteren lang over gediscussieerd.
- Hij is er nooit ___ geslaagd om zijn schulden af te lossen.
- ___ heb ik helemaal geen bezwaar tegen.
- Waar wacht je nog ___?