Het kabinet wil de AOW-leeftijd geleidelijk verhogen naar 67 jaar en drie maanden in 2028. Volgens het ministerie van Sociale Zaken is dat nodig om de pensioenpot in balans te houden. Wie nu 62 is, moet daardoor nog vijf jaar doorwerken. De maatregel geldt voor wie na 1 januari 1964 is geboren; wie ouder is, houdt de huidige leeftijd.
De gevolgen verschillen per beroep. In de bouw, de zorg en het openbaar vervoer, waar veel mensen zwaar of onregelmatig werk doen, is de grens lastiger. Daar werkt de overheid nu al mee aan oplossingen: een regeling voor zwaar werk, en voor werknemers met een beroepsziekte of-invaliditeit een verlaagde pensioenleeftijd.
De vakbonden zijn verdeeld. De FNV vindt dat de verhoging zonder extra maatregelen onacceptabel is. 'Een leraar van 66 moet tegen een leerling van 17 staan; dat is niet vol te houden', zegt bestuurder Renée de Wit. CNV vindt de maatregel verdedigbaar, mits de zwaarwerkregeling snel van start gaat. De werkgeversorganisatie wil juist sneller tempo maken.
De discussie speelt ook buiten het werk. Veel mensen in deze leeftijdscategorie zeggen niet op te geven wat ze doen, maar vragen zich af hoe. 'Ik werk graag, maar niet altijd, en zeker niet altijd zo lang', zegt de veertiger Yvonne Bakker. Een aantal gemeenten biedt inmiddels trainingen aan voor het opbouwen van een nieuwe baan of het starten als zzp'er.