Sinds de coronacrisis werken miljoenen Nederlanders een deel van de week thuis. Werkgevers en werknemers zijn er grotendeels tevreden over: je bespaart reistijd, je kunt geconcentreerd werken en je hoeft niet meer om half acht in de file te staan. Toch maak ik me zorgen. Niet over de productiviteit, want die blijkt uit onderzoek ruim voldoende, maar over iets wat veel lastiger te meten is.
Ik werk al twintig jaar bij hetzelfde ingenieursbureau. Bijna alles wat ik weet, heb ik niet uit een handboek of een cursus geleerd, maar van collega's: tijdens de lunch, bij het koffieapparaat, of doordat ik toevallig meeluisterde toen een ervaren collega een lastige klant aan de telefoon had. Die vorm van leren gebeurt vanzelf, maar alleen als je elkaar daadwerkelijk ziet.
Juist jonge werknemers zijn daarvan de dupe. Wie net van de opleiding komt, heeft nog geen netwerk en durft niet zomaar een drukbezette collega te bellen met een 'domme' vraag. Op kantoor loop je even binnen; thuis blijf je zitten met je probleem. Het is dan ook geen toeval dat uit enquêtes blijkt dat juist twintigers zich vaker eenzaam en minder betrokken bij hun werk voelen.
Ik pleit niet voor een terugkeer naar vijf dagen kantoor. Wel vind ik dat organisaties bewuster moeten nadenken over de vraag waarvoor het kantoor eigenlijk dient. Spreek vaste teamdagen af, zodat je je collega's ook echt tegenkomt als je de reis maakt. Koppel nieuwe medewerkers het eerste jaar aan een vaste begeleider. En besef dat de waarde van een gesprek bij het koffieapparaat niet in een spreadsheet te vangen is.
Thuiswerken is een verworvenheid die we moeten koesteren. Maar als we niet oppassen, besparen we op reistijd en betalen we met kennis.
Ingrid Smit is senior adviseur bij een ingenieursbureau in Rotterdam.